Over mij

Mijn foto
Groningen, Netherlands
Ik ben John Koster. Geboren in 1960 in Canada. In 1965 naar Nederland verhuisd. Getrouwd, 3 kinderen (zoon 1997, 2 dochters 2003). Eind 2009 begonnen met schrijven. Alle bijdragen op deze weblog zijn door mij, onder eigen naam of Papagoose, geschreven, tenzij uitdrukkelijk door mij anders vermeld. Mijn profielfoto is een afbeelding van een grote Canadese gans en is gemaakt door Andreas Trepte www.photo-natur.de bron: Wikipedia.
Posts tonen met het label Lots gedachten in spinsels en gedichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lots gedachten in spinsels en gedichten. Alle posts tonen

maandag 9 januari 2012

Ellendige avonturen

Onze zoon van 14 kwam onlangs thuis van school met een mooi verhaal. Eén van de docenten had de leerlingen van de derde klas een filmpje laten zien. Wat als computers en games eerder waren uitgevonden dan de boekdrukkunst? Dan hadden ouders van pubers zich druk gemaakt over het aantal uren dat de jeugd zich met een dik boek vol met stoffige grijze letters afzondert in een hoekje van de kamer. Telkens hadden ze moeten aandringen op het spelen van computerspellen in plaats van te gaan zitten lezen. Het gamen is socialer omdat je met en tegen elkaar speelt, contacten hebt over de hele wereld, spelenderwijs meerdere talen leert spreken en interactief je fijne motoriek en je hersenen traint.

Als wij weer eens naar boven schreeuwen dat hij nu eindelijk eens achter de pc vandaan moet komen, omdat hij anders vierkante ogen krijgt, weten we al wat zijn teruggeschreeuwde antwoord zal zijn:
“Wat als het gamen eerder was uitgevonden dan de boekdrukkunst?”

Wij koesteren de traditie om elke avond voor het slapen onze kinderen voor te lezen. Dit hebben we jaren gedaan voor onze zoon en dat doen we nu voor onze dochters. Als het voorlezen een keer niet lukt omdat het te laat is bijvoorbeeld, dan moet je de beteuterde gezichtjes eens zien.

Na halverwege het derde boek van Harry Potter, het kijken van de films heeft het lezen ingehaald en dan zijn de boeken niet meer interessant, lezen we nu over de Baudelaire-wezen en graaf Olaf in één van de boeken van Lemony Snicket.

Bij het avondeten komt het boek ter sprake en discussiëren we over blauw bloed, de adel en de bijbehorende titels. Op mijn vraag of ze weten wat een graaf is, antwoordt Lot:
“Ja, dat weet ik. Dat is iemand die foto’s maakt.”

maandag 11 oktober 2010

Onduigend

Vroeger was
ik klein
en onduigend
Ik deed de cd
in me mond
en ik deed
de radiejo heel
hard aan
ik dansde op de
muuziek


geschreven door Lot op 10-10-10

maandag 20 september 2010

Billetjes bloot

Onze twee dochters van zeven zitten op voetbal. Ze spelen in F5. Lot staat in de verdediging en Hanne op het middenveld. Ze laten zich niet kennen en bijten op hun tanden als ze keihard een bal tegen een been of in de buik krijgen. Ze zijn de enige meiden in het team, dus moeten ze wel iets stoerder zijn dan de jongens, vinden ze zelf.

Lot staat tijdens de wedstrijd graag een beetje te kletsen met één van haar beste vriendjes van het team, die ook nog bij haar in de klas zit. Op deze leeftijd mag een voetbalwedstrijd nog gezellig zijn, vinden de kinderen en hun ouders. Hoewel, het fanatieke geschreeuw langs de lijn suggereert soms anders.

Zaterdag was het weer raak. Hanne kreeg tot twee keer toe een bal hard tegen de benen. Ik zag aan haar gezicht dat het haar pijn deed, maar ze gaf geen krimp. Lots vriendje kreeg een bal in zijn kruis. Na de wedstrijd legden we Lot uit dat dat voor een jongen wel heel pijnlijk is. Ze knikte begrijpend. Ze kon zich er wel iets bij voorstellen.

Op zondag, voor ons de enige rustdag na een drukke werkweek en een nog drukkere zaterdag, doen we vaak spelletjes. Seb en Lot doen het spel “Met de billetjes bloot”. Dit is een spel van kaarten waar vragen op staan die je zo eerlijk mogelijk moet beantwoorden. Met dit spel zijn er geen winnaars of verliezers en foute antwoorden bestaan niet. Het doel is om kinderen te leren hun gedachten en mening onder woorden te brengen.

Lot krijgt de volgende vragen. Haar antwoorden zijn kort:

Vraag: “Vind je jezelf leuk?”
Lot: “Eh, jawel.”

Vraag: “Als een vriendje op school wordt gepest, zeg je dit dan tegen de juf?”
Lot: “Nee, dat is toch klikken?”

Vraag: “Vind je jezelf eerlijk?”
Lot: “Ja.”

Vraag: “Denk je dat dieren kunnen voelen?”
Lot: “Ja hoor.”

Vraag: “Denk je dat jongens net zo gevoelig zijn als meisjes?”
Lot: “Ja, vooral in hun kruis!”

vrijdag 17 september 2010

Spaghetti

Vanavond is het weer eens tijd om spaghetti te eten. Een gerecht waar we allemaal van smullen. Spaghettisaus uit een pakje hebben we lang geleden afgezworen. Deze maken we zelf. Toegegeven, een aantal ingrediënten voor deze eigengemaakte saus komt wel uit een pakje of blikje.

Voordat ik begin met koken, zet ik altijd alles klaar op het aanrecht. Een grote pan, halfgevuld met water, zet ik alvast op het gas. Scheutje olie er in. Zout pas toevoegen als het water kookt, anders wordt de pan blauw, zegt men. Tegen de tijd dat het water kookt, ben ik klaar om de saus te bereiden.

Ik leg een paar winterpenen klaar om te raspen. Een bouillonblokje, rund of groente, los ik op in 300 ml gekookt water. Een blikje gepelde tomaten in blokjes en twee blikjes tomatenpuree maak ik open en zet ik klaar. Teentje knoflook, kleingesneden. Potje Italiaanse kruiden. Suiker. De fles rode wijn onder handbereik. Ik neem een glaasje om te keuren of het goede wijn is. O ja, het gehakt uit de koelkast. Ik begin met het raspen van de winterpenen.

“Pap, mag ik dat doen,” vraagt Lot.

“Ja, dat mag, maar doe voorzichtig. Denk om je vingers.”

“Ja, ja. Wat is dat?” Lot wijst op de maatbeker met gekookt water.

“Daar zit een bouillonblokje in. Dat maakt de saus lekkerder,” leg ik uit.

“O.”

Het water voor de pasta kookt. Ik doe een scheut zout in de pan. Hij wordt niet blauw. Ik breek een pak spaghetti van 500 gram doormidden en gooi het voorzichtig in de pan. Onze kinderen zijn nog niet zo bedreven in het draaien van die lange slierten met de vork in de lepel.

Zo, nu kan ik de saus klaarmaken. Scheutje olie in de wokpan. Knoflook even bakken. Dan het gehakt er bij en rul braden. Geraspte winterpeen er door en op hoog vuur goed rondscheppen. Tomatenblokjes en tomatenpuree, beste scheut rode wijn en bouillon er bij. Italiaanse kruiden en een schepje suiker om het zuur van de tomaten te neutraliseren. De saus ongeveer tien minuten laten pruttelen.

Als ik goed getimed heb, dan zijn de pasta en de saus gelijktijdig klaar. Meestal lukt dat. Ik giet de pasta af. Even laten schrikken onder de koude kraan. De tafel is gedekt. Geraspte kaas, water en wijn voor de liefhebbers. Wij hebben de gewoonte om pas te beginnen met eten als iedereen heeft opgeschept en op de billen zit. Dat duurt een paar minuten.

We hebben net de eerste hap in de mond, als Lot vraagt:

“Pap, wat is eigenlijk een miljoenblokje?”

De spetters rode spaghettisaus vliegen over tafel, als wij het uitproesten. Gelukkig lacht Lot zelf het hardst. Ze heeft er een hekel aan om uitgelachen te worden.

woensdag 24 maart 2010

Ik wist precies de weg

“Komt Lot ook spelen?”
“Hallo, Tommie, Lot is in de slaaptent, ga maar even naar binnen. Ze spelen met de Duplo.”
“Papa, mogen we een snoepje?”
“Ja, pak maar uit de snoepbak, die staat op de grond naast de deur. Geef Tommie ook wat, hè.”

Het is vandaag eindelijk mooi weer. We hebben drie dagen met flinke regenbuien achter de rug. Maar ondanks dat vermaken we ons prima op deze groeneboekje-camping. Rustig gelegen in het bos. Geen grote weg in de buurt. We kunnen de kinderen gewoon hun gang laten gaan. We hoeven niet steeds op ze te letten. Wat een verademing. We kunnen zowaar een boek lezen voor de tent. De grote plas, direct voor onze tent, is bijna opgedroogd. Trouwens, in en rond deze plas hebben de kinderen ook grote lol gehad. Tot bodyslidings aan toe met de grote campingbuurmeisjes.

“Pap, we gaan buiten spelen.”
“Prima.”

Ze gaan met zijn drieën, onze dochters Lot en Hanne en vriendje Tommie, naar het speeltuintje op een steenworp afstand van de tent. Hebben we er toch nog een klein beetje zicht op. De fietsen met zijwieltjes gaan mee. Er is niets leukers dan zo hard mogelijk over de losse steentjes op het pad te crossen. Wij houden soms ons hart vast, maar ja, loslaten moet je. Met vallen en opstaan. En meer van dat soort clichés.

Na een minuut of twintig komt Hanne terug van het speeltuintje. Alleen, zonder fiets en zonder Lot en Tommie. Wij zitten lekker te lezen. Onze zoon zit met en tegen zichzelf te Carcassonnen.
“Hanne, waar is Lot?”
“Oh, die is met Tommie mee.”
“Waarheen?”
“Lopen. Door het bos. Ik durfde niet mee.”

Ik ga toch maar even kijken. Ik leg mijn boek in de stoel en loop rustig richting speeltuintje. Geen Lot en geen Tommie te zien. Ik loop een rondje over het veld naast het onze. Via een bospad tussen de velden door loop ik naar de toiletgebouwen. Niets. Ik ga terug naar onze tent.
“Lot al gezien?” vraag ik. Nee, dus.
Johanna loopt de andere kant op, waar ik nog niet geweest ben. Ik pak de fiets en rijd de hele camping over. Langs de zwem- en visvijver. Ze zouden toch niet….
Nog steeds niets. Rustig blijven. Er is vast niets aan de hand. Die kinderen zijn gewoon lekker aan het spelen in het bos. Dit is een veilige camping. Maar ze is nog maar drie!

Na drie kwartier rondlopen en –fietsen vind ik het opeens niet leuk meer. Ik ben nooit snel in paniek, maar ik moet toegeven dat ik nu het hart in mijn keel voel bonzen. Terug bij de tent zegt Johanna, dat ze verschillende mensen heeft gesproken, die hun ogen en oren zullen openhouden. Niet echt een geruststelling.

Ik doe een laatste poging. Wat klinkt dat dramatisch. Tussen de bomen vlak achter ons veldje, zie ik ze zomaar lopen. Verdorie, zeg. Zich van geen kwaad bewust lopen ze parmantig met grote stokken in de knuisten, door het struikgewas.
“Lot!” schreeuw ik. “Hier!”
“Hallo pap”, zegt ze guitig.
“We zijn helemaal rond de camping gelopen, door het hoge gras.”
“En toen moesten we over een hek klimmen”, zegt Tommie.
“Ja, met prikkeldraad, en toen werden we helemaal nat. En toen zei ik dat ik naar huis wilde.”
“Ja, en ik wist precies de weg”, zegt Tommie.
Met moeite krijg ik over mijn lippen: “Jongens, wat een avontuur. Kom maar snel wat drinken.”

Ik denk dat we de rest van de vakantie iets vaker uit ons boek zullen opkijken.
Loslaten valt nog niet mee.