Over mij

Mijn foto
Groningen, Netherlands
Ik ben John Koster. Geboren in 1960 in Canada. In 1965 naar Nederland verhuisd. Getrouwd, 3 kinderen (zoon 1997, 2 dochters 2003). Eind 2009 begonnen met schrijven. Alle bijdragen op deze weblog zijn door mij, onder eigen naam of Papagoose, geschreven, tenzij uitdrukkelijk door mij anders vermeld. Mijn profielfoto is een afbeelding van een grote Canadese gans en is gemaakt door Andreas Trepte www.photo-natur.de bron: Wikipedia.
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vakantie. Alle posts tonen

dinsdag 16 augustus 2016

Perfect timing!


Ik bel voor de derde keer. Ik houd het knopje iets langer vast dan de vorige twee keren. We worden ongeduldig. We zijn moe van de reis en willen ons graag installeren in onze kamer voordat we de stad in gaan.
We horen gestommel achter de voordeur en een zacht gemompel. Ik meen dat er ‘yes, yes, I’m coming’ wordt gezegd. Een sleutel wordt aan de binnenkant van de deur in het slot omgedraaid. Klinken worden boven en onder weggeschoven en een ketting uit de sleuf gehaald. Ongetwijfeld worden we door het oog in de deur bespied. De deur wordt met luid gepiep geopend.
‘Ah, perfect timing!’ Een Oost-Europees accent.
Ze zuigt gulzig een lange trek uit haar sigaret en blaast de rook langs onze hoofden naar buiten. Slierten onverzorgd en vet haar vallen over haar wangen tot op haar schouders. Met één hand frommelt ze haar groezelige ochtendjas iets verder dicht. Aan haar blote voeten draagt ze versleten pantoffels. In de gang achter haar staat een wit mormel te grommen. Het is 6 uur ’s middags.
‘Perfect timing, perfect timing. I was expecting you. Come in, dears. You’re from Holland, right? I have the family room for you. It is almost ready. Do come in. Perfect timing!’
Ze schuifelt door de lange gang en wij volgen haar maar. Het witte mormel krabt en snuift achter ons aan. Ze opent de deur van onze kamer. Er staan drie bedden. De deuren van de kledingkast hangen scheef aan de scharnieren. Vlekken in het vaalgrijze tapijt. Voor het raam, dat open staat, hangen oude ooit witte vitrages. Onze tassen ploffen op de grond. Ze neemt nog een trek van haar sigaret. Het witte mormel springt tegen ons op. Budget B&B in een gezellige wijk net buiten het centrum van Londen, stond in de advertentie.
‘I still have to make the beds, dears,’ roept ze terwijl ze het witte mormel achteloos een trap geeft. Jankend verlaat het onze kamer.
Wij zeggen dat dit niet zo erg is. Over een uur moeten we al bij de theaterzaal zijn. Veel tijd om te rusten of ons even op te frissen hebben we niet. We zijn blij dat we het pand kunnen verlaten. We zeggen dat we verwachten om middernacht terug te zijn.
‘No problem.’
Rond middernacht komen we terug bij onze B&B. De terugweg in de Underground speelt één regel continue door onze hoofden: ‘I’m Martin Guerre. I don’t live here but over there.’ Een mooie musical in het prachtige Prince Edward Theatre. Zachtjes openen we de voordeur met de sleutel die we van onze landlady hebben gekregen. Ze staat ons in de gang al op te wachten. Aan haar uiterlijk is niets veranderd. Een sigaret in de hand. Het witte mormel gromt.
‘Perfect timing! Everything is fine. I just have to make the beds. It won’t take a minute. Would you like a cup of tea?’
We knikken. Een kopje thee gaat er wel in. Maar doe eerst de bedden, proberen we beleefd. We lopen onze kamer binnen. Het witte mormel schiet langs ons en rent als een gek rondjes door de kamer, over de bedden, onder de houten stoelen door, onderweg witte haren op onze bedden achterlatend.
Drie musicals en twee nachten in onze B&B rijker zitten we in het vliegtuig terug naar huis nog na te genieten. Uit volle borst trakteren we onze medepassagiers op: ‘I’m Martin Guerre. I don’t live here but over there.’ Precies op tijd landen we op Schiphol.
‘Perfect timing! roepen we in koor.

zondag 13 maart 2016

Suikerspin

Mijn kinderen op de rotsen aan de Bretonse kust.


‘Mam, mogen we een suikerspin?’
‘Uhm, jawel. Of heb je liever een steekijsje? Dat is iets verderop. Een suikerspin is heel ongezond. Ziet er aan de buitenkant mooi en smakelijk uit, maar is een grote hap gebakken lucht en suiker.’
‘Nee, toch liever een suikerspin.’

Vanavond willen we niet te moraliserend zijn. Dus.

‘Oké, hier heb je geld. Ga zelf maar in de rij staan.’

Het is altijd gezellig en druk op Noorderzon, het muziek- en theaterfestival in het Noorderplantsoen in Groningen. Wij wonen op loopafstand. Vanavond zijn we op de fiets. Het is altijd leuk om een beetje rond te lopen, iets te drinken en te eten, een praatje te maken met vrienden en kennissen, zo mogelijk een voorstelling te bezoeken.

Donderdag 25 februari bezoek ik de talkshow in Groningen. ’s Morgens. Ik kan niet uitleggen waarom, maar de sfeer is gespannen. De bedoeling is goed. Een interessante klant is uitgenodigd. Met een komische noot wordt een aantal zaken van de afgelopen periode aan de kaak gesteld. De gehele familie Barbapapa komt langs. De humor landt niet bij dit publiek. Dat kun je zo hebben.

Het is gezellig druk op het Bretonse festival. Veel muziek en folklore. Dansende meisjes in klederdracht, een demonstratie van het winnen van zeewier uit zee, dat wordt gedroogd en dient als brandstof. Veel mosselen, crêpes en appelcider, heel veel appelcider. En op een prachtige locatie dicht bij de bekende ruige kust. Onze kinderen kunnen zich niet bedwingen om de rotsen te beklimmen. Zoals gewoonlijk zijn we ze snel uit het oog verloren.

Als de kinderen weer boven zijn, lopen we een laatste ronde over het terrein, op zoek naar iets lekkers. We komen bij een kraampje waar ze een soort suikerspinnen verkopen. Toevallig. Een festival met suikerspinnen. Ik wil graag twee bestellen voor onze dochters, maar suikerspin staat niet in mijn kleine woordenboek Nederlands-Frans. Wel spin, araignée en suiker, sucre. Ik wil niet afgaan, dus ik ga heus niet ‘deux araignées de sucre’ bestellen. Ik wijs het aan en vraag in mijn beste Frans, ‘qu’est-ce que vous appelez la?’, hoe zo’n ding heet.

‘Barbapapa, monsieur.’
‘Comment?’ Vraag ik verbaasd. Heb ik het goed verstaan?
‘Barbapapa.’
‘Uh, bien, deux s’il vous plaît.’

Eenmaal weer thuis van onze vakantie in Bretagne zoek ik het op. Suikerspin. Barbe à papa. Letterlijk betekent dit: de baard van papa. Nu begrijp ik ook de overeenkomst tussen Barbapapa en een suikerspin. Roze, mooi van buiten, maar van binnen is het niets. Slappe hap, geen ruggengraat.

Toeval?

woensdag 7 januari 2015

Stuwmeer


Gelukkig hebben we een stapel dvd’s meegenomen. Merlin seizoen 1, de remake van V voor de kinderen. Voor ons The Sandhamn Murders en Real Humans seizoenen 1 en 2. Wij zijn verslaafd aan Scandinavische series de laatste jaren. Op de tv in het appartement kunnen we alleen de landelijke en regionale zenders ontvangen. Zonder ondertiteling is het niet voor iedereen gemakkelijk te volgen.

Er is geen Wi-Fi en als ik een sms naar mijn ouders wil sturen om te melden dat we gezond en veilig zijn aangekomen, moet ik 200 meter richting het dorp lopen. De laptop hadden we net zo goed thuis kunnen laten.

Tussen Kerst en Nieuwjaarsdag knijpen we er vijf dagen tussenuit. Lekker, ruim twee weken vrij. Ik ben toch gedwongen mijn stuwmeer aan verlofdagen op te maken. Niet dat ik daar ooit een probleem mee heb. Ik heb eerder dagen te kort dan dat ik overhoud. Aan het einde van het jaar ligt mijn stuwmeer droog.

Het sneeuwt en het is ijzig koud. Ideale omstandigheden om te wandelen in de heuvels. Met rode wangen vervolgens aan de warme chocolademelk ergens in een restaurantje. ’s Avonds eerst lekker eten en dan dvd’s kijken. De voeten met dikke sokken tegen de radiator. Hier is geen vloerverwarming. Als afsluiting van de dag even naar het dorp lopen om te checken of er nog sms’jes zijn. Nog geen vijf uur rijden van huis en het voelt als het einde van de wereld.

De Edersee is een stuwmeer. Gelegen in een prachtige omgeving wordt de rivier de Eder in zijn loop tegengehouden door een stuwdam. Grote turbines aan de voet van de dam zorgen voor de opwekking van energie. In 1943 werd de stuwdam door een bombardement van de Britten verwoest. Een vloedgolf met golven van zes tot acht meter spoelde door de vallei tot wel 30 km stroomafwaarts, een leeg stuwmeer achterlatend.

Om constant energie op te wekken moet de Edersee vol zijn. Mijn verlofstuwmeer is leeg. De energie is uitgeput. 2015 is begonnen. Een nieuwe voorraad verlofdagen ligt klaar.

Gelukkig maar.

dinsdag 19 augustus 2014

Bretagne (5): Le Mystère


Kijk!
Kijk daar. Ssssst!
Wat? Waar?
Daar. Zie je dat grote stuk beton bovenop? Daaronder zie je een klein donker holletje.
Ik zie niets.

Er gaat iets gruwelijk mis. Ik verlies de controle.

Twee dagen ben ik vertroeteld door de monteurs. Het defecte onderdeel is vervangen. Het motor management systeem is gereset. Ik ben er aan toe om naar huis te gaan, terug naar mijn eigenaren.
We zijn halverwege als het bewuste lampje weer gaat branden. Dit kan niet waar zijn. Wat heb ik verkeerd gedaan?

Daar bij die tak.
Achter de tent.
Kijk! Je ziet zijn kopje. Hij is heel snel.
Ja, ja, ik zie hem.
Nu is hij weer weg.

We rijden terug naar de garage. Het feest begint opnieuw. Uitzoeken wat er fout kan zijn. Mijn ingewanden er uit. Ik heb het idee dat de monteurs het ook niet meer weten. De gehele dag zijn ze bezig mij binnenste buiten te keren. Een aantal van mijn levensaders wordt vervangen. Er worden proefritjes gemaakt. Het is een nachtmerrie.

Zou hij een nestje aan het bouwen zijn?
Hij is zo druk bezig.
Nu loopt hij daar weer.
En floep, weg is hij.
Wat is het eigenlijk voor beestje?

Het is donderdag. Ik ben al vier dagen van huis. Eerst leek het een goede aanpak. Nu heb ik mijn twijfels. Ik verlang naar mijn gezinnetje. Zelfs de volle achterbank, vieze schoenen op de matten, de fietsendrager met fietsen achterop. Ik doe er een moord voor.

Het lijkt een hermelijn.
Of een jonge fret.
Ik weet het niet precies.
Misschien een martertje.

Ja! Eindelijk. Thuis.
Wanneer ze naar buiten komen om me te begroeten, sla ik mijn ogen neer. Ik schaam me. Zouden ze me nog wel willen hebben? De tijd zal het leren. Ik houd me gedeisd.

Kijk!
Kijk daar. Zachtjes!
Wat? Waar?
Daar. Onder de heg. Vlakbij de voorwielen. Het lijkt wel een holletje.
Ik zie zijn kopje.
Het zal toch niet…..?

woensdag 13 augustus 2014

Bretagne (4): Le Vengeur

                   Gent

Dacht je werkelijk dat je me kon paaien met die idiote sticker? Ik heb de twee weken in Bretagne duidelijk laten blijken dat ik het liefst direct weer naar huis wilde. Maar je luisterde niet. Jullie hadden belangrijkere dingen te doen. En het argument dat mijn voorouders uit Frankrijk komen en ik me dus daar wel thuis zou voelen doet me niets.

Luister. Ik kan je voorspellen dat de campingbaas gelijk gaat krijgen. Let maar op.

De reis naar huis gaat vlekkeloos.
Wat is Gent een leuke stad.
We zijn verbaasd.
De auto is tiptop in orde.
Geen rare geluidjes. Geen startproblemen.

De eerste week thuis houd ik me nog in. Ik geniet van de rust op mijn eigen parkeerplaats in de mij zo bekende straat. Heerlijk!

Het is zaterdag en weer wordt mijn laadruimte volgestouwd met campingspullen. Tot overmaat van ramp krijg ik de loeizware fietsendrager op mijn trekhaak en daar komen de twee kinderfietsen op. Ik kan bijna niet meer op mijn benen staan. Gaan we nu weer voor langere tijd op pad? Ik kan er niet meer tegen.

De meiden gaan een week op scoutingkamp.
Alles gepakt en ingeladen.
Fietsen mee.
Ze zijn er helemaal klaar voor.

Ik werk zo lang mogelijk mee. Maar als ik in de bossen over een zandpad wordt gestuurd en tot aan mijn achteras door een plas stuiter is mijn geduld op. Ik besluit in te grijpen.

Als we bijna weer thuis zijn hoor ik een piep.
En er gaat een lampje branden.
Zal wel niets zijn.
De auto parkeren en geen aandacht aan schenken.

Gedurende de tocht naar huis heb ik kunnen nadenken wat ik zal doen om er voor te zorgen dat ik in ieder geval een paar dagen terug kan naar de plek waar ik ben opgegroeid. De garage waar ik vandaan kom. Niet waar ik gemaakt ben, maar wel waar ik mijn eerste jaren heb doorgebracht. Daar kan ik uitrusten en eens goed nadenken wat ik verder wil in mijn bestaan.

Gele auto!
Heeft hij de Wegenwacht gebeld in plaats van mijn eigen garage. Dat is niet de bedoeling. Ik doe net of mijn neus bloedt, figuurlijk gesproken natuurlijk. Ik zorg er voor dat de gele man snel de storing kan verhelpen en zijn biezen pakt. Niets aan het handje, denkt iedereen. Prima.

Een storing in het motor management systeem.
Resetten en klaar.
Alsjeblieft, stoppen nu.
Het spijt me, echt.

Eindelijk. Na een paar uur wachten arriveert de bekende auto met de bekende monteurs. De storing kan in mijn eigen garage worden hersteld. En nu definitief. Mijn besluit staat vast. Na vandaag zullen mijn lieve eigenaren me nog wel een aantal jaren willen houden. Anders zijn de gemaakte kosten voor niets geweest. De campingbaas heeft gelijk gekregen. De cirkel is rond.

Ma vengeance est douce.

dinsdag 12 augustus 2014

Bretagne (3): Démarreur


Oké.
Jij bent sterker.
Ja, ik bel de garage waar jij vandaan komt.
Het komt goed.
Stil maar.

Ik bel de garage in Nederland en leg zo goed mogelijk het probleem uit. Mijn vermoeden dat het aan de startmotor ligt, wordt door de man bevestigd. Ik maak een afspraak voor de maandag direct na onze geplande thuiskomst.

Enigszins gerustgesteld genieten we vooral van Bretagne en laten ons niet uit het veld slaan. We bezoeken oude stadjes, het westelijk uiteinde van de Franse wereld, een Keltisch festival in Quimper met veel muziek, een feest met zeilschepen in Douarnenez en we koelen af in de blauwgroene zee bij ruige zand- of kiezelstrandjes.

Nee, je hebt er soms geen zin in.
Dat snap ik.
Maar houd nog even vol.
Volgende week ben je weer thuis.

Het is onverantwoord om met de auto die soms wel en soms niet wil starten de lange terugweg naar huis te ondernemen. Vooral ook omdat we nog een overnachting in Gent hebben gepland. We moeten er niet aan denken dat we weer ergens langs de snelweg stranden.

We besluiten dat het beter is om nogmaals langs de Renault garage te rijden. De volgende dinsdag ga ik vroeg op weg. Ik heb het Franse woord voor startmotor opgezocht. De man van de garage belt direct een Peugeot garage om te vragen welk type startmotor besteld moet worden. Het is snel geregeld. Voor aanstaande donderdag maak ik een afspraak. De startmotor zal dan vervangen  worden.

Het is beter zo.
Accepteer het nu maar.
Deze mensen zullen je goed behandelen.
De vorige keer ging ook goed.

De campingbaas vraagt wat er is afgesproken met de garage. Ik leg het uit.

“Oei, dat kan wel eens een duur akkefietje worden. Reken maar op 1000 euro!”

Nee, dat kan ik niet geloven. We zullen wel zien. Het moet toch gebeuren.

Na een fikse wandeling vanaf de camping door het mooie dal halen we de auto op, die al ongeduldig op ons staat te wachten. Een beetje gespannen neem ik de rekening in ontvangst. 280 euro, inclusief werkloon. Dat valt weer mee. Met een gerust hart kunnen we zaterdag gaan rijden naar Gent.

Kijk eens.
Als beloning een mooie sticker van Bretagne op je achterste.
L’aise Breizh.

vrijdag 8 augustus 2014

Bretagne (2): Échappement

        Omaha Beach


Klik.
Niets.
Klik. Klik.
Niets.
Nee hè, niet weer!

Na een gezellige avond aan het strand bij Omaha Beach met frites en worst en drinken zoeken we rond half elf onze bedden op in de B&B. We zijn moe van de eerste reisdag. De volgende ochtend na een voortreffelijk ontbijt gaan we, zoals we van te voren hadden gepland, een museum bezoeken. De gebeurtenissen op deze plaats maken ons stil en nederig. Onze problemen gisteren met de auto zijn triviaal.

En weer na het tanken dat de auto niet start. Iets of iemand heeft zin ons dwars te zitten deze vakantie. Gelukkig is de auto snel aangeduwd en we vervolgen onze weg. We willen zo snel mogelijk onze eindbestemming in Bretagne bereiken. Dan zien we daar wel verder.

Het is weer een hete dag. Na twee uur gereden te hebben moeten we ergens stoppen. Bij een McDonald’s halen we ijsjes en gaan we plassen. Ik durf de auto niet meer uit te doen en laat hem op de parkeerplaats stationair draaien.

Snel weer verder. Bij Audierne even boodschappen doen voor het avondeten. Ik blijf bij de auto met lopende motor. Zonder problemen bereiken we de camping.

Klik.
Aan. Als een zonnetje.
Nou ja. Hij ontwikkelt een eigen wil.

De volgende ochtend besluit de auto direct te starten. We maken onze eerste tripjes. Het gerammel, getik en gekras wordt steeds erger. Rechtsvoor of onder de auto? Bij een bepaald toerental? Als we een bocht om gaan? Moeilijk te zeggen. De baas van de camping, een Nederlander, luistert mee. Misschien de uitlaat. Tien minuten rijden vanaf de camping is een Renault garage. Daar kan ik dinsdag langs gaan. Het is zaterdag. Het weekend komen we wel door.

Klik.
Niets.
Aanduwen.

Overal waar we heen gaan houden we er rekening mee dat we de auto moeten aanduwen. Zo parkeren dat de neus naar voren staat en het liefst naar beneden gericht. Als de auto langer dan een uur kan uitrusten dan start hij zonder problemen. Bij kortere tussenpozen vertikt hij het.

Dinsdagochtend rijd ik naar de Renault garage. De campingbaas heeft een briefje geschreven met een aantal steekwoorden. ‘Un bizar son’, ‘peut-être l’échappement’. De garagehouder is geduldig en hulpvaardig. Ik start de auto. Hij doet het! De man ligt al op zijn buik half onder de auto en heeft de oorzaak van het getik en geschraap snel gevonden. Een loszittende uitlaatklem. Donderdag kan het gelast worden. Ik maak een afspraak. Zal wel weer een duur geintje worden. Post onvoorzien.

Na veertig minuten is de auto klaar. De uitlaatklem gelast. De rekening wordt opgemaakt. Ik ben op het ergste voorbereid.
Vingt-cinq euro, s’il vous plaît.”

Ik heb het niet goed verstaan. 25 euro? Inderdaad. Chapeau!

Het startprobleem heb ik verzwegen. Dat is iets tussen de auto en mij. We zullen wel zien wie de sterkste is.

dinsdag 5 augustus 2014

Bretagne (1): Warme douche

Klik.
Niets.
Klik. Klik.
Niets.
Shit!

De reis verloopt voorspoedig. We vertrekken op vrijdag naar Bretagne, maar maken een tussenstop in Normandië. Voor één nacht in een B&B vlakbij Omaha Beach.

Geschatte aankomsttijd 17:00 uur.

Het is een hete dag. Snikheet. Gelukkig hebben we airco in de auto. Deze draait op volle toeren. Na 560 km moeten we tanken. De ervaring leert ons dat we niet te lang moeten doorrijden als het waarschuwingslampje gaat branden. Getankt, betaald en geplast. Snel weer verder. In de auto is het aangenamer dan buiten.

We duwen de auto een paar meter naar voren en ik zet de alarmlichten aan. Ik loop naar binnen om startkabels te vragen in mijn beste Frans:
“Avez vous des cables de start l’accu, s’il vous plaît?”
“Eh? Ah, oui! Les branches pour la batterie?”
“Oui, merci.”

De mensen van het benzinestation zijn zeer behulpzaam. Een toevallige voorbijganger is bereid zijn auto en accu op te offeren. De kabels goed aangesloten?

Klik.
Niets.

Dan maar aanduwen en dat lukt gelukkig bij de eerste poging. We hebben geen idee wat er aan de hand is, maar we vervolgen onze weg naar Normandië.

Geschatte aankomsttijd 17:45 uur.

Ergens tussen Amiens en Rouen. Het verkeer rijdt langzaam bergop. Ik moet terugschakelen en trap de koppeling in.

Knal.

Het koppelingspedaal komt niet meer omhoog en zit muurvast. Ik stuur de auto direct naar de vluchtstrook en zet de alarmlichten aan. 400 m verder is een pechpaal. Langzaam kruipt de auto verder omhoog en we halen de paal. Iedereen uitstappen, hesjes aan en zover mogelijk de berm in. Ik zet de gevarendriehoek ongeveer 30 m achter de auto.

Ooit langs de Franse snelweg gestaan, waar de auto’s en vrachtwagens langs je razen om je dan verstaanbaar te moeten maken bij een pechpaal? Het is geen pretje. Er wordt iets tegen mij gezegd, maar ik versta het niet. Ik vraag of ik Engels kan praten en geef het nummer van de paal door.

Hallo?
Niets.

Ik druk nogmaals op de knop en nog eens. Geen reactie. Ik bel met mijn mobiel de ANWB in Nederland met mijn gold card in de aanslag. We zijn al bijna 20 jaar lid. Ik krijg een goed verstaanbare, vriendelijke dame aan de lijn en ik geef de benodigde gegevens door.

“Een moment. Meneer, ik zie op dit adres dat u geen Europa service heeft.”

Nee, dat wist ik ook wel, maar je kunt altijd proberen, toch?

“Dan kan ik niets voor u doen.”

“En nu? Ik sta hier met vrouw en drie kinderen langs de snelweg.”

“Als u op de knop van de paal drukt, dan komen ze vanzelf. U kunt ook 112 bellen.”

Ik druk nog een keer op de knop, maar ik hoor alleen wat gemompel. Ik geef het op en bel 112.

Op dat moment komt er een grote sleepwagen voorbij.

Gele auto!

Ik zwaai en wenk en de wagen stopt voor ons op de vluchtstrook. Heeft het drukken op de knop van de paal blijkbaar toch geholpen. Zo goed mogelijk leg ik het probleem aan de man uit. Een stortvloed aan Frans komt over ons heen. Ik begrijp er een klein beetje van. Hij kan ons slepen tot aan Rouen, 45 km verderop. Daar moet hij de auto afleveren die op zijn sleepwagen staat en kan hij ‘regarder le problème’. Daarna neemt hij ons mee terug naar zijn eigen garage. Ergens? Alles beter dan hier langs de snelweg blijven staan.

Het gaat nu snel en ik begin te snappen waarom. Ondertussen zijn er twee auto’s gearriveerd.

Gele auto! Gele auto!

Er worden pilons op de weg gezet en er wordt druk overlegd met de man van de sleepwagen. Samen duwen we onze auto op de sleepwagen. Onze gevarendriehoek en de pilons worden opgeruimd. Wij nemen plaats in de sleepwagen en we vertrekken richting Rouen.

De gele auto’s zijn het resultaat van het vele drukken op de knop van de pechpaal. De sleepwagen kwam toevallig langs. De man handelde zo snel omdat hij zich niet ons als klant wilde laten afpakken natuurlijk.

Onderweg leggen we uit dat we een B&B in Normandië hebben gereserveerd voor één nacht. Dat zullen we niet gaan halen. Intussen heeft de man al een chambres d’hôtes gebeld en zijn garage om het mogelijke probleem aan onze auto door te geven.

Om 17:30 uur komen we aan in Rouen bij de garage waar de man de andere auto aflevert. Onderzoek aan onze auto wijst uit dat de accu niet meer goed is en waarschijnlijk is opgeblazen door het starten met de kabels bij het benzinestation. Hij tovert een nieuwe accu uit de sleepwagen. Ik ga akkoord. Om 18:15 uur loopt de auto weer. Zonder mankementen voor zover kan worden nagegaan. Het lijkt erop dat we verder kunnen. Voor het slepen en de nieuwe accu betaal ik de man 200 euro. Altijd nog goedkoper dan 20 jaar Europa service aan de ANWB betalen. Na een koud drankje en een dankwoord, ‘vous êtes formidable’, gaan we op pad.

Geschatte aankomsttijd 19:45 uur.

We bereiken de B&B in Normandië exact op dit tijdstip.
Een warme douche.

vrijdag 16 mei 2014

Schotland (4): Glencoe


Een Keltisch kruis op een heuveltje. Woorden in steen. Namen. Een paar oude bosjes bloemen. Om het heuveltje staat een hek.

Wat een raar gezicht moet dat zijn geweest. Vijf mensen die een half uur lang rondstruinen binnen en buiten het hek. Spiedend. Speurend. Zoekend. Ze hebben nauwelijks aandacht voor de woorden, de namen. Regelmatig kijken ze op hun smartphones.

Ondanks dat er op de site staat vermeld dat dit een “easy cache” is, druipen de vijf mensen zichtbaar teleurgesteld af. Met lege handen. De geocache is niet gevonden. Het heuveltje met de namen, het kruis, het hek eromheen worden met rust gelaten. Ze zuchten en verzinken in eeuwenoude herinneringen.

De vijf mensen hebben nog een sprankje hoop. Ze inspecteren de brug over de River Coe. Misschien ligt hij daar ergens. Aan het water. Tussen de leistenen. Helaas.

Ze lopen richting het dorp Glencoe en komen langs het Folk Museum. De lage deur van de cottage met witte muren staat op een kier. De mevrouw nodigt hen uit binnen te komen. Nee, ze hoeven niet betalen. Het museum heeft juist een nieuw dak en is officieel nog niet geopend. Even rondkijken mag. Als er vragen zijn dan is de mevrouw bereid die te beantwoorden.

De mevrouw is trots. Op de spullen, het gebouwtje, haar familie, haar clan. Ze vertelt. Ze wacht de vragen van de vijf mensen niet af. Ze vertelt over het bloedbad, ruim 320 jaar geleden. Van de clan McDonald zijn 38 mensen vermoord. Zeker 40 vrouwen en kinderen komen om door uitputting en onderkoeling, omdat hun huizen in brand zijn gestoken. Geen sprankje hoop.

De mevrouw vertelt. Over koning James en koning William of Orange en Mary. Over de Jacobite Uprising. Ze vertelt over het bloedbad, ruim 320 jaar geleden. Eeuwenoude herinneringen die nog zo levend zijn. Ze krijgt tranen in de ogen.

De vijf mensen vervolgen hun weg. Koffie met iets lekkers erbij in The Glencoe Café, een paar honderd meter verderop. Ze kijken regelmatig op hun smartphones. Ligt hier ergens anders misschien nog een cache?

vrijdag 27 januari 2012

Ierland (3): Doolin


We kiezen ervoor om de Cliffs of Moher links te laten liggen. Ons doel is om langs de westkust naar het noorden te fietsen naar Connemara in county Galway en misschien wel zo ver als county Mayo. Het is afwachten of dat haalbaar is in twee weken. Verder uitgewerkt zijn de plannen niet. Overnachten doen we op de bonnefooi op campings, in B&B’s of jeugdherbergen.

Na een lange fietsdag bereiken we Doolin, een prachtig plaatsje aan de kust. We zetten ons kleine koepeltentje op tussen de belachelijk grote caravans en campers op een veld omringd door de traditioneel gestapelde Ierse muurtjes. Gelukkig zijn er meer trekkerstenten. Een eenvoudig toiletgebouw maakt camping Doolin compleet. Om nog enige beschutting te hebben tegen de altijd aanwezige wind, zetten we onze tent zo dicht mogelijk bij het muurtje. Het uitzicht is overweldigend. Links in de verte zien we de Cliffs of Moher, we hebben wel een beetje spijt dat we daar niet langs gefietst zijn, en recht voor ons in de Atlantische Oceaan liggen de Aran Islands. We besluiten hier een aantal dagen te blijven en de omgeving met dagtochtjes op de fiets te verkennen.

’s Avonds lopen we vanaf de camping een paar honderd meter naar het dorpje om iets te eten. We hebben geen idee of er restaurants zijn. Een pub is er natuurlijk altijd. Misschien wel meer dan één. We hebben gehoord dat je in hotel Doolin kunt eten, een huiskamerrestaurant, en deze is snel gevonden. Hotel is een groot woord. Het is meer een pension, maar het ziet er knus uit.

Wij zijn de eerste gasten. Moeder laat ons binnen en begeleidt ons naar de huiskamer. Een stuk of vijf kleine tafeltjes met plastic zeiltjes en houten stoelen vormen het restaurant. Op de grond onder het raam staat een eenvoudige cassettespeler. Gelukkig zijn er inmiddels meer mensen binnengekomen. Vader en moeder doen samen de bediening. De dochter van een jaar of twaalf komt elk half uur de kamer in en draait het bandje om, zodat we twee uur lang naar dezelfde Ierse muziek zitten te luisteren. Waarschijnlijk zijn we er die avond mee besmet geraakt.

Na de goede maaltijd zakken we af naar Gus O’Connor’s pub, die we op weg naar hotel Doolin al hadden gezien. De uithangborden lachen ons, mij in ieder geval, toe. Guinness, Murphy’s en Heineken. De combinatie van Guinness en Jameson Irish Whiskey is fantastisch, maar na 120 kilometer fietsen en lekker eten krijg ik er zware benen en een licht hoofd van. De pub in Doolin is vermaard om de muziek die er wordt gespeeld. Het is dan ook afgeladen vol. Gitaren, harpen, fiedels, flutes en pipes. Iedereen die maar een beetje kan spelen wordt van harte uitgenodigd mee te doen. Er is geen vast repertoire. Dit maakt het beregezellig. Het is laat, of eerder vroeg, als we in het donker snel ons tentje gevonden hebben.

woensdag 25 januari 2012

Ierland (2): Frank en Vrij


Ierland is een fantastisch fietsland. De eerste dagen na het verlaten van vliegveld Shannon lijkt het landschap veel op Texel. Niet spectaculair, wel mooi en rustig. Naarmate we verder naar het westen en noorden rijden wordt het ruiger en stiller.

We zijn al gewend aan het klimaat. Tussen de vijftien en twintig graden is normaal in de zomer en het regent veel. Geen wonder dat het land prachtig groen is, in duizend schakeringen. Trokken we in het begin bij iedere dreiging onze regenpakken nog aan, nu stoppen we even. We zoeken de beschutting bij een bosje of een muurtje langs de weg en laten de bui voorbijgaan. Meestal is het na tien minuten weer droog. Of we fietsen gewoon door en nemen het nat worden op de koop toe. Onze kleding droogt snel.

Een aantal keren zijn we onderweg geconfronteerd met blaffende honden bij boerderijen. Gelukkig blijft het bij blaffen. Ze zijn goed opgevoed en komen het erf niet af, ook al zijn er geen hekken. Johanna houdt er niet van. Ik zeg dat ze beter voorop kan gaan fietsen, omdat honden, als ze dan toch achter je aan komen altijd de achterste pakken.

De volgende boerderij lijken we zonder blaffen voorbij te komen, totdat uit het niets twee joekels van honden aanslaan. We schrikken ons wezenloos, vooral omdat we de beesten niet hadden gezien. We fietsen snel door, niets aan de hand. We zijn nauwelijks van de schrik bekomen als een klein, wit keffertje met een grote sprong over het muurtje achter ons aankomt. We zetten het op een fietsen, maar we raken het beest niet kwijt omdat we heuvelop moeten. Kilometerslang blaft het mormel achter ons aan, ondertussen happend naar mijn trappers en mijn kuiten. Nog even volhouden. We zijn bijna boven en als we dan heuvelaf kunnen, dan zal het hondje ons niet meer bij kunnen houden, hopen we.

Het kan niet waar zijn. In de verte, op de top, staan drie honden midden op de weg. Drie verschillende rassen en afmetingen. Ze staan ons op te wachten. Wat moeten we nu? We moeten doorfietsen, teruggaan is geen optie. De beesten gewoon negeren en hopen op hun medelijden. Het tafereel is een scène uit een bekende Disneyfilm. We zijn de honden tot op twintig meter genaderd. We zetten ons schrap voor de aanval met bloedige afloop.

Met dichtgeknepen ogen fietsen we snel door. En dan gebeurt het onvermijdelijke. We horen de drie honden op ons afkomen, luid blaffend. Maar het geluid neemt in volume af en wij leven nog. We openen voorzichtig de ogen. We kijken achterom en zien en horen de drie honden het witte keffertje opjagen tot aan de boerderij waar het vandaan kwam.

Met knikkende knieën vervolgen we onze weg. We danken de grijze hemel. Engelen komen in verschillende gedaanten.

maandag 28 maart 2011

Ierland (1): Is this your bike?

Twee uurtjes vliegen en een compleet andere wereld.
De aankomsthal is niet leeg maar ademt rust uit. De drukte op vliegvelden bij de gemiddelde Europese steden krijgt geen voet aan de grond in Shannon. En vanaf nu hebben we ook geen haast meer. Er hoeft geen trein of bus gehaald worden. Het wachten is op de fietsen. Onze bagage hebben we al verzameld. De grote plunjezak, die ik nog uit mijn diensttijd heb bewaard, heeft zijn nut bewezen om de losse fietstassen, slaapzakken en self-inflatables bij elkaar te houden. Gemakkelijk bij het inchecken in Brussel en gemakkelijk nu om terug te vinden.

Brussel!
Een vliegveld om hoofdpijn van te krijgen en de vakantie met stress te beginnen. Onze splinternieuwe fietsen, Koga Miyata hybrides, compleet Shimano afgemonteerd met 21 versnellingen, voor- en achterdragers, halogeen verlichting, bidonhouders en AXA veiligheidssloten, hebben we met liefde ingepakt in speciale fietshoezen. De pedalen er afgehaald, het stuur een kwartslag gedraaid, de banden halfleeg, in verband met de luchtdruk in het bagageruim van het vliegtuig. Niets aan het toeval overgelaten. En nu maar hopen dat ze de vlucht overleven.

Bij de incheckbalie is het een chaos. En dat is nog lief uitgedrukt. Rijen zijn er niet. Het is één grote mensenmassa. Als wij na twee uur schuifelen aan de beurt zijn en de bagage is ingecheckt, worden onze fietsen door een medewerker ruw op een rolcontainer gesmeten. Ik voel een steek in mijn borst en opwellende tranen. Ik moet ze laten gaan. Het liefst zou ik bij ze blijven in het ruim en hun zadels troostend vasthouden. Dat is helaas niet toegestaan.

Er zijn meer fietsende vakantiegangers die geduldig staan te wachten op hun geliefde vervoermiddel. Links, aan het einde van de aankomsthal, komt een oude man door twee opengaande schuifdeuren. Een fiets aan de hand.
“Is this your bike?” vraagt hij vriendelijk.
“No, sir, this is not our bike,” antwoorden wij beleefd.
Zo gaat hij het rijtje wachtende mensen af, totdat hij de fiets aan de eigenaar heeft overhandigd.
Hij loopt terug de hal uit. Tien minuten later is hij terug met weer een fiets.
“Is this your bike?”
Dit ritueel herhaalt zich een tiental keren.

Nadat wij onze fietsen rijklaar hebben gemaakt, pedalen er weer op, stuur recht en banden opgepompt, bagage opgeladen, lopen we met de fiets aan de hand de hal uit naar buiten. Het begin van twee weken fietsen langs de westkust van Ierland. De stress is vergeten. Het avontuur kan beginnen.

vrijdag 18 maart 2011

Fietsvakantie

Wij hebben altijd tegen elkaar gezegd:
“Als we kinderen krijgen, dan willen we gewoon blijven doen wat we altijd doen.”
En daar hoort een fietsvakantie ook bij. In de tien jaar dat we samen zonder kinderen waren, gingen we regelmatig op de fiets met vakantie. Twee weken langs de westkust van Ierland, met vrienden met een kind van één jaar door Frankrijk, met z’n tweeën door Noord-Brabant en Duitsland. We hebben het gedaan en het is de leukste manier van vakantie houden.

Nu is onze zoon voor de zomer één jaar geworden en de plannen voor zijn eerste fietsvakantie zijn door ons gemaakt. De fietsen zijn zo goed als nieuw, Koga Miyata hybrides. Een comfortabel en veilig kinderzitje achterop. Voor de bagage hebben we een Bob gehuurd. Dit is een eenwielige aanhanger met een laag zwaartepunt, waarmee je lekker off-the-road kunt rijden zonder problemen. We hebben voor deze gelegenheid zelfs een nieuwe tent gekocht, een tunnel met twee slaapcabines, een vis-à-vis. Lichtgewicht kampeerspullen hebben we nog van onze vorige fietsavonturen. Alles is dik voor mekaar.

De camping in Zeeland is gereserveerd, bij de boer. Dus niet te luxe, zoals het hoort. Voor de eerste nacht onderweg hebben we een trekkershut geboekt, op zo’n negentig kilometer van ons huis. Dat is te doen. Deze twee concessies hebben we gedaan. Het liefst zouden we wegfietsen en wel zien waar de weg ons brengt. Maar met een kind van één, hoewel hij zeer gemakkelijk is, denken we dat dit onverstandig is.

We hebben er zin in. ’s Ochtends vroeg gaan we op weg vanuit de voordeur. De lucht is grijs, de temperatuur valt tegen. Er staat een stevige westenwind. Binnen het uur begint het kind al te dreinen en de eerste regendruppels vallen. De regenpakken gaan aan. Tussen Noord-Brabant en Zeeland moeten we een grote brug over. We fietsen in de regen tegen de wind in, over een smal fietspad langs de snelweg. Leuk is anders. Het kind protesteert. Hij lijkt te vragen:
“Moet ik dit leuk vinden?”

Om zes uur ’s avonds moeten we nog dertig kilometer tot de trekkershut. We besluiten om een hapje te eten ergens bij een Chinees. Het moet wel snel want we moeten verder. Om negen uur bereiken we in de stromende regen onze hut. Moe, maar met een gevoel van trots. Wat is dit toch leuk en avontuurlijk, zo’n fietsvakantie. Morgen is het vast beter weer. En onze zoon heeft het fantastisch gedaan.

De volgende ochtend regent het nog steeds. Het is zelfs de hele nacht niet droog geweest. Gelukkig is het vandaag maar tachtig kilometer naar de camping. We besluiten te vragen of we een dagje kunnen blijven en dat kan. Gelukkig, de boel kan drogen. Het regent de hele dag en de volgende nacht.
’s Morgens kijkt Johanna naar buiten en zegt zomaar:
“Ik weet niet wat jij doet, maar ik ga naar huis!”
Nou ja, zeg. Dat kan toch niet? Dat hadden we niet afgesproken. We moeten dit doen, dat hebben we onszelf toch beloofd? Maar ze is onvermurwbaar. Met lood in de schoenen geef ik toe. Wat een afgang.

De camping wordt afgebeld en we fietsen naar het dichtstbijzijnde treinstation. De Bob blijft achter, die mag niet in de trein. Die halen we later wel op. Aan het einde van de middag zijn we al thuis. Johanna pakt de krant en zegt:
“Zo, even kijken waar het mooi weer is. Ja, Bretagne, daar gaan we heen.”
Die zelfde avond nog wordt de Bob gehaald van het station. De volgende ochtend gooien we alles wat we op de fiets hadden in de auto. Slechts één extra ding gaat mee: een campingbedje voor onze zoon.
In Bretagne hebben we een fantastische vakantie gehad op een echte familiecamping dichtbij zee.
Aaaaarrch.

vrijdag 4 maart 2011

Schotland (3): Fingal's Cave


Tijdens ons verblijf op het inspirerende en rustgevende eiland Iona, krijg ik de mogelijkheid om met een georganiseerde boottocht het eilandje Staffa te bezoeken. Johanna houdt niet zo van boten en schepen. De overtocht van Nederland naar Schotland, van Oban naar Mull en het pontje naar Iona zijn voor haar voorlopig genoeg geweest. Dit begrijp ik. Eens hebben we ergens in Nederland een VVV bezocht, gevestigd op een woonboot. Hier werd ze al draaierig in haar hoofd en wee op de maag. Een goede beslissing om niet mee te gaan naar Staffa, op een kleine boot over een altijd ruige zee aan de westkust van Schotland. Toch heeft ze wel iets gemist.

Gewapend met een fototoestel en een rugzak met proviand meld ik mij aan de kade, waar vandaan de boot vertrekt. Een twintigtal mensen staat al te wachten. Het is een kleine boot, vergelijkbaar met die waarmee we een aantal jaren eerder de Aran Islands aan de westkust van Ierland hebben bezocht. Het is een mooie dag. De zon schijnt en het is ongeveer vijftien graden, normaal voor deze omgeving in de zomer. Johanna zwaait ons uit. Zij zal de dag in alle serene rust op Iona doorbrengen.

De boot danst over de met witte schuimkoppen getooide golven, die schuin van voren komen. Ik vind het prachtig, maar stel me de tocht voor met windkracht zeven en hevige regen. Dat zou pas een avontuur zijn. Van de andere kant van de boot hoor ik een aantal mensen verrukte kreetjes van opwinding slaken. Dolfijnen! Iedereen die aan mijn kant zit haast zich naar de andere reling. En inderdaad, een groepje van vijf dolfijnen slooft zich uit met sierlijke sprongen. Het zijn net kinderen die met luid gekwebbel de aandacht proberen te trekken. Ik laat me vertellen dat het tuimelaars zijn, een kleine dolfijnensoort. Ze zijn er niet minder mooi om.

Als we Staffa naderen, is Fingal’s Cave al goed te zien. In de Ierse mythologie heeft de held Fingal een doorgang gebouwd tussen Ierland en Schotland: Fingal’s Cave. De ingang van de grot is omlijst met zeshoekige pilaren van basalt, in hoogte variërend van een halve tot tien meter. De golven slaan er op stuk. Meeuwen vliegen rond, zoals altijd met veel lawaai. Bij een houten steiger gaan we aan land. Stappend van de ene basaltpilaar op de andere gaan we naar binnen. De ingang is hoog, ik schat wel vijftien meter. Het water stroomt de grot in en uit, het ritme van de golven buiten volgend. Als ik God was zou ik liever hier wonen dan in welke door de mens gebouwde kathedraal ook. Naast het water is een smal pad, waarlangs we dieper de grot in kunnen lopen.

Ik ga zitten op een pilaar en sluit mijn ogen. In mijn gedachten tover ik de basaltpilaren om tot orgelpijpen. Het geluid van het water wordt muziek, aangevuld met het geschreeuw van de meeuwen.
Ja, nu kan ik Mendelssohn begrijpen, die op deze zelfde plek werd geïnspireerd tot het schrijven van zijn Hebrides Overture. Op dit moment gaat de rest van de wereld aan mij voorbij en daar geniet ik van.

’s Middags maken we een klauterwandeling naar de andere kant van het eiland om de papegaaiduikerkolonie te zien. Deze vogels nestelen op de steile rotsen hoog boven het water. Ik heb gelezen dat dit de grootste kolonie puffins, zoals ze in het Engels heten, ter wereld is. Indrukwekkend.

Vroeg in de avond kom ik terug op Iona. In mijn rugzak heeft de proviand plaats gemaakt voor een aantal onvergetelijke ervaringen.

Schotland (2): Iona


Onze kamer is geboekt voor vijf nachten. De overtocht van Hoek van Holland naar Newcastle upon Tyne en van Oban naar het eiland Mull ook. De vakantie kan beginnen. De auto is ingepakt, de fietsen achterop. We zijn benieuwd hoe het ons zal bevallen, de eerste keer in Schotland.

Op de nachtboot naar Newcastle slapen we elk op een grote slaapzaal. Ik schat dat er ongeveer zestig stapelbedden staan. Ik lig boven, op een bed van hooguit 70 cm breed. Een dun, met plastic bekleed matras en een stevige deining zorgen ervoor dat ik de gehele nacht heen en weer glijd. De volgende ochtend word ik gewekt door een stem uit een luidspreker, die aankondigt dat we Newcastle naderen. Het doet me denken aan het legerkamp MASH. Johanna kijkt ook niet echt vrolijk als we elkaar in de ontbijtzaal treffen.

Een aantal jaren geleden hebben we voor het eerst een concert van de Iers-Engelse groep Iona bijgewoond. Gegrepen door de muziek en de teksten, werden we nieuwsgierig naar de herkomst van de naam van de band. Iona is een eilandje voor de kust van het Schotse eiland Mull. Op dit eilandje landde in de zesde eeuw de Ierse monnik Columba en stichtte daar een klooster. Dit was het begin van het Keltisch christendom in Schotland. Veel van de muziek en de teksten van Iona zijn geïnspireerd op het leven van Columba. Het eiland is tot op de dag van vandaag de ontmoetingsplaats voor leden van de Iona Community, een organisatie die veel praktisch werk doet onder de armen in Schotland. Hier zullen wij vijf dagen doorbrengen en proeven van de sfeer op het eiland.

Het is half tien en we rijden van de boot af. Thuis hebben we de route naar Oban al uitgestippeld. De afstand is nog geen 400 kilometer. De ferry van Oban naar het eiland Mull vertrekt om vier uur ’s middags, dus tijd genoeg. Daarna is het nog zeker twee uur rijden over Mull naar de andere kant. Dan nog een laatste pontje naar Iona. De verwachting is dat we daar tegen zeven uur ’s avonds zullen arriveren.

De autorit door Schotland is prachtig, precies zoals we ons van te voren hadden voorgesteld. Hoe verder we naar het westen rijden, hoe mooier het wordt. Eén lastige hobbel moeten we nog nemen: Glasgow. Er zijn verschillende manieren om er langs te komen. Wij nemen de verkeerde beslissing.
Het kost ons anderhalf uur om deze grote stad achter ons te laten. We vervolgen onze weg langs Loch Lomond naar het noorden en buigen vervolgens weer af naar het westen.

De wegen worden smaller. Het schiet niet echt op. Het laatste stuk naar Oban gaat over een smalle, bochtige weg. De maximum snelheid is 80 en er is nauwelijks gelegenheid om in te halen. Het is half vier en nu moeten we opschieten. Ik neem de nodige risico’s en haal op plaatsen in waar het eigenlijk niet kan. Eerlijk gezegd verwachten we niet dat de boot precies om vier uur zal vertrekken. In Schotland gaat alles zo veel rustiger dan bij ons. Het is vier uur als we Oban binnenrijden. De laatste bocht om en we zien de boot voor onze ogen loskomen van de kade. In de verte zien we de contouren van Mull. Uitgeput door teleurstelling en stress nemen we ons voor ons nooit meer te haasten als we op vakantie zijn.

We kopen kaartjes voor de boot voor de volgende dag en gaan op zoek naar een B&B of hotel. Die is snel gevonden. We genieten van een heerlijke avond in het mooie stadje Oban. Dit zouden we gemist hebben als we de boot wel hadden gehaald. Nog voor de middag de volgende dag bereiken we zonder problemen Iona, na een fantastische tocht over het eiland Mull.

Schotland (1): Al weer een hek!


Tijdens onze eerste vakantie in Schotland hoorden we voor het eerst muziek van de traditionele Schotse band Capercaillie. Een geweldige band, die oude Keltische songs afwisselt met vlotte, populaire nummers en reels, die van oudsher in pubs worden gespeeld. Een capercaillie is een auerhoen. Capercaillie heeft onder andere de muziek gemaakt voor de populaire speelfilm Rob Roy.

Omdat veel van de teksten in het Gaelic zijn en wij daar niets van kunnen verstaan, hebben we met een beetje fantasie voor sommige regels een Nederlandse variant bedacht. Zo hadden wij toen Sebastiaan net was geboren in Gouda een schoonmaakster, die Ike heette. In één van de Gaelic songs, je wilt het geloven of niet, hoorden wij de Nederlandse regel:
”Ike, maak es skoo-oon, maak es skoo-oon. Ike, maak es skoo-oon.”
In werkelijkheid zongen ze natuurlijk iets geheel anders.

De liefde voor Capercaillie is tot op de dag van vandaag gebleven en intussen hebben we een tiental cd’s. Toen Sebastiaan een jaar of vier was en wij opnieuw op vakantie in Schotland waren, maakten we op een dag één van onze vele rondritjes met de auto. Steevast schalde de muziek van Capercaillie uit de boxen. Als het weer het toeliet hadden we de ramen open, zodat we de Schotse bevolking konden laten weten:
“Hoor ons eens van jullie muziek houden!”

Johanna houdt veel van onbekende weggetjes en die heb je in Schotland volop. Dus dirigeerde ze mij een landweg op, onverhard en één auto breed. Geen idee waar de weg toe zou leiden, genoten we van de prachtige omgeving. Om de paar kilometer werd ons de weg versperd door een breed houten hek. Johanna stapte dan uit, deed het hek open en weer dicht, nadat ik met de auto gepasseerd was. Een oude vrouw hield ons staande en vertelde ons:
“This is a private road, dear, but you’re welcome. Just follow on through and you will reach the public road again. Bye now, dear.”
Het was net Mrs. Doubtfire.
Toen we voor de vierde keer voor een gesloten hek stonden, hoorden we Capercaillie zingen:
“Oh, al weer een hek. Oh, al weer een hek.”

We hebben de rest van de vakantie hier veel plezier om gehad en nu nog steeds, zoveel jaren later, proberen we Nederlandse teksten in de songs van Capercaillie te horen.


De site van Capercaillie

maandag 16 augustus 2010

Denk om de kinderen



Het is half twaalf ’s avonds. Het is zojuist opgehouden met regenen. Onze poncho’s hebben we uitgetrokken. Ik worstel en kreun mij een weg terug naar de parkeerplaats. Deze terugtocht is langer dan de heenreis zo’n veertien uur geleden was. Ik heb natte voeten en ik probeer de moed er in te houden door te lopen op het ritme van het liedje dat zich in mijn hoofd heeft vastgeketend. Het liedje vertelt dat het toch eigenlijk maar een kleine wereld is. Ik ben het daar niet mee eens. De parkeerplaats lijkt nog mijlen ver weg.

Als toefje slagroom op de vakantie hebben we op een uur treinen vanaf Parijs op een legbatterijcamping voor Zonnige Vakanties een stacaravan gehuurd voor drie nachten. Een dag Parijssnuiven zit er al op. Vandaag was Eurodisney aan de beurt. Morgen gaan we weer naar huis.

Om het voor de kinderen niet te vermoeiend te maken allemaal, hebben we gisteren in Parijs rustig aan gedaan. Om zoveel mogelijk te kunnen zien en beleven hebben we gebruik gemaakt van de metro en de batobus. Als een stel Japanners hebben we foto’s gemaakt voor de Notre Dame, de Eiffeltoren, de Sacré Coeur en de Arc de Triomph, om thuis bewijs te kunnen leveren dat we dit werkelijk in één dag hebben gedaan. Gisteravond om half elf waren we terug in onze caravan, hopend dat de kinderen genoeg energie over zouden hebben voor de dag van hun leven.

Kwart over negen vanochtend zaten we in de auto. Kwart over tien liepen we het park in, onze ANWB-kortingskaarten ingewisseld voor echte toegangskaartjes. Met de kinderen spraken we af dat we voldoende pauzes zouden nemen, om uit te rusten en bij te tanken. Bij de eerste de beste attractie “Thunder Mountain” stonden we gelijk drie kwartier in de rij. Gedeelde smart is halve smart. Toen wij, uitgelaten door deze belevenis, de attractie verlieten, was de wachttijd uitgegroeid tot zeventig minuten.

Achttien attracties voor jong en oud, twintig winkeltjes, flesjes drinken, hotdogs, kopjes koffie, een heus diner later en vele honderden euro’s lichter, restten ons alleen nog de parade en het afsluitend vuurwerk. En toen begon het te regenen. Op de valreep hebben we vijf regenponcho’s aangeschaft voor dertig euro. Van het vuurwerk was niet veel te zien en het paleis van Doornroosje was in rook gehuld, maar dat mocht de pret niet drukken.

Zingend en huppelend lopen onze dochters van zeven jaar voor ons uit naar de uitgang. Onze zoon van dertien en wij, goede veertigers, strompelen achter hen aan.
“Hé, denk alsjeblieft om ons. Wij zijn kapot. En we moeten morgen nog naar huis rijden.”

donderdag 1 juli 2010

Vakantieheksensoep voor kinderen

Zoek je al tijden naar een lekkere vakantieheksensoep, die biologisch verantwoord is en niet te veel kost? Dan volgt hier het ideale recept.

Hoofdgerecht: 6 kinderen en/of kleinkinderen
Voorbereidingstijd: 4 dagen
Bereidingstijd: 30 minuten op gas, 2 uur in de volle zon
Voedingswaarde: 0 Kcal
Kosten: 0 EUR

Voorwaarden
Zoek een niet te grote camping, waar je je gang kunt gaan. Regel dit van te voren met je ouders. Je moet de mogelijkheid hebben in het geheim de soep voor te bereiden en klaar te maken. Een speelhut met toebehoren, zoals grote pannen, pollepels en een gaspot met pit zijn aan te bevelen. Het is verstandig het bereiden van de soep op een gaspit aan de oudere kinderen over te laten (vanaf 12 jaar). Zijn die er niet dan moet de soep in de volle zon worden gezet voor een uur of twee.

Ingrediënten
Alles wat je kunt vinden op de camping is bruikbaar. Water en zand vormen de basis voor deze soep.
Wormen, kevers, lieveheersbeestjes en vliegjes zijn uitstekend voor een goede stevige soep. Ben je vegetariër of dierenliefhebber, dan laat je deze dieren natuurlijk met rust. Blaadjes, kleine takjes, dennenappels, bloemetjes, brand- en/of dovenetels geven de soep extra smaak. Je kunt ook nog de afvalbakken rond de cafetaria afstruinen voor restjes patat, frikadel of kroket. Helemaal geweldig is een restje bier of wijn uit een glas van het terras. Maar pas op, dit is niet zonder risico. Verzamel je ingrediënten zo onopvallend mogelijk. Je ouders of grootouders moeten het zo min mogelijk in de gaten krijgen.

Voorbereiding
Spreek met een klein aantal goede vrienden af, wie wat doet. Zorg voor een geheime plaats en een pan met lepels. Doe alle verzamelde ingrediënten in de pan. Doe er wat zand en twee liter water bij. Roer alles goed door. Het duurt vier dagen voordat alle dieren dood zijn en de soep klaar is om af te maken. ’s Nachts zet je de pan in de hut. Is er geen hut, dan ergens in het bos of onder een struik.

Bereiding
Heb je de heksensoep vier dagen lekker laten borrelen en pruttelen, zorg dan dat je niet meer dan twee uur voordat je met je ouders vertrekt de soep af maakt. Voor het beste resultaat moet je nog twee ingrediënten toevoegen. Kies de twee jongste kinderen uit. Eén laat je in de pan poepen. Zorg dat je wc-papier bij de hand hebt. De andere laat je er in plassen. Ochtendplas geeft het mooiste effect. De soep gaat dan lekker stinken, wordt gelig en gaat schuimen.

Tenslotte
Vakantieheksensoep is niet om op te eten. Zorg dat je ouders je niet zien als je de pan voor het laatst in de hut zet. Doe net of er niets gebeurd is. Het is slim om je ouders nog even lief mee te helpen voor het vertrek. Mocht het toch gebeuren dat een van de ouders je door krijgt, geef dan elkaar de schuld. Praat allemaal door elkaar en de jongsten moeten gaan huilen. Dan heb je de grootste kans dat het een gezellige terugreis wordt.